Gij zult de Naam niet ijdel gebruiken
Er zijn woorden die je voorzichtig uitspreekt. Niet omdat ze moeilijk zijn, maar omdat ze groter zijn dan jezelf. Het woord G'd is zo'n woord.
Misschien is dat precies waarom mensen het zo gemakkelijk gebruiken.
We leven in een tijd waarin bijna alles een product is geworden. We kopen onze koffie, onze identiteit, onze vakanties, onze gezondheid, onze aandacht en inmiddels ook onze overtuigingen. We kunnen onszelf online opnieuw uitvinden en vervolgens proberen anderen ervan te overtuigen dat de versie die we hebben bedacht de ware is. Zelfs eenzaamheid heeft tegenwoordig een verdienmodel.
Maar er is één ding dat zich hardnekkig aan de markt onttrekt: de behoefte van de mens aan betekenis.
Die behoefte is niet verdwenen omdat de kerk leger is geworden. Integendeel. Misschien is ze juist zichtbaarder geworden.
Een jonge man zit 's avonds alleen op zijn kamer en vraagt zich af wat hij met zijn leven moet. Zijn ouders hebben hem geleerd vooral zichzelf te worden, maar niemand heeft hem verteld wie hij dan zou moeten zijn. Zijn telefoon ligt naast hem. Op het scherm verschijnen filmpjes van mensen die precies weten hoe het moet. Succes. Seks. Geld. Fitness. Spiritualiteit. Discipline. Zelfliefde. Alles is binnen handbereik en toch blijft er iets knagen.
Waar ben ik eigenlijk voor?
Het is een oude vraag.
Ouder dan Instagram. Ouder dan de kerk. Ouder dan het christendom.
De mens zoekt houvast.
En waar een behoefte is, ontstaat een markt.
Dat is niet nieuw. Het gebruik van G'd als businessmodel is ongeveer zo oud als de mens zelf.
Misschien moeten we daarom nog eens langzaam lezen wat er in het derde gebod staat:
Gij zult de Naam van de HEER, uw G'd, niet ijdel gebruiken.
We hebben dat gebod vaak gereduceerd tot een waarschuwing tegen vloeken. Alsof G'd vooral beledigd zou raken wanneer iemand in een opwelling Zijn Naam gebruikt.
Maar in de Hebreeuwse wereld is een naam nooit zomaar een naam.
Een naam draagt iemands identiteit, reputatie, aanwezigheid en gezag. Wie de Naam draagt, draagt iets van degene die die Naam toebehoort.
Daarom is de vraag achter het gebod veel ongemakkelijker:
Wat doe jij met G'ds Naam?
Gebruik je die Naam om G'd te dienen?
Of gebruik je G'd om jezelf te dienen?
Dat verschil is klein in woorden en enorm in gevolgen.
Je hoeft G'd niet te ontkennen om Zijn Naam ijdel te gebruiken. Je kunt Hem juist heel nadrukkelijk verkondigen en ondertussen Zijn Naam inzetten voor je eigen macht, status of bankrekening.
Misschien is dat wel de meest geraffineerde vorm van religieuze ijdelheid.
Jezus zag het.
Hij liep de tempel binnen, de plaats waar de Naam van G'd niet alleen werd uitgesproken maar waar die Naam centraal stond in het leven van Israël. Daar stonden de tafels. Geldwisselaars. Handel. Offerlingen. Mensen die hun religieuze plicht moesten vervullen en daarvoor geld nodig hadden.
Jezus maakte geen vriendelijk bezwaar.
Hij keerde de tafels om.
Het is een van die scènes uit de evangeliën die we zo vaak hebben gelezen dat we bijna vergeten hoe vreemd ze is. De man die wij kennen als de zachtmoedige Jezus staat midden in de tempel en maakt van het religieuze centrum van zijn volk een chaos.
Waarom?
Omdat er iets fundamenteels was misgegaan.
De tempel was bedoeld als plaats van ontmoeting met G'd. Maar waar de Naam van G'd werd aangeroepen, had de economie zich tussen G'd en de mens gedrongen.
Dat is het moment waarop religie gevaarlijk wordt.
Niet wanneer er geld wordt verdiend.
Niet wanneer een priester, voorganger, rabbi of andere dienaar van de gemeenschap wordt onderhouden.
Maar wanneer de mens ontdekt dat hij geld kan verdienen aan de behoefte van een ander aan G'd.
Dat mechanisme is sindsdien niet verdwenen.
We kennen de aflaten uit de geschiedenis. Een kerkelijke structuur die mensen zekerheid over hun zielenheil kon verkopen. Wie bang was voor het oordeel, kon betalen voor een vermindering van de straf. Het is moeilijk een duidelijker voorbeeld te bedenken van wat er gebeurt wanneer religieuze angst een economisch product wordt.
Maar het zou comfortabel zijn om daar te stoppen.
Wij leven immers niet meer in de Middeleeuwen.
Wij hebben moderne kerken, moderne liederen, moderne podia en moderne marketing.
Sommige predikers hebben geen kathedraal nodig. Ze hebben een camera nodig.
De tafel van de geldwisselaar is vervangen door een bankrekeningnummer.
Het aflatenbriefje door een betaallink.
En de oude belofte van zekerheid kan vandaag klinken als:
Geef, en G'd zal jou teruggeven.
Het klinkt vroom.
Het klinkt zelfs Bijbels.
Maar ergens onderweg kan geven veranderen in investeren. De gift wordt dan geen dankbaarheid meer, maar een transactie. G'd wordt degene die het rendement moet leveren.
Geef duizend en ontvang tienduizend.
Geloof groter.
Verwacht meer.
Zaai je financiële zegen.
Het is religie geworden met de logica van een beleggingsfonds.
En misschien is dat precies waarom het derde gebod nog altijd ongemakkelijk actueel is.
Want wie Gods Naam gebruikt om een commercieel systeem kracht bij te zetten, zegt eigenlijk:
G'd staat achter mijn product.
En wie durft daar nog tegenin te gaan?
Dezelfde Naam die troost biedt aan een stervende kan ineens worden gebruikt om een verkoopargument kracht bij te zetten.
Dat is het moment waarop we moeten oppassen.
Niet omdat geld vies is.
Niet omdat rijkdom per definitie verkeerd is.
En ook niet omdat iedere kerk die geld inzamelt verdacht zou zijn.
Geven is juist een van de mooiste menselijke handelingen. De Bijbel staat er vol van. Wie heeft ontvangen, kan geven. Wie overvloed heeft, kan delen. Een gemeenschap kan niet bestaan zonder mensen die bereid zijn iets van zichzelf af te staan.
Maar geven heeft een richting.
Het gaat van mens naar mens.
Van mens naar gemeenschap.
Van overvloed naar gebrek.
Van degene die heeft naar degene die nodig heeft.
Zodra de stroom omkeert en de arme wordt verteld dat hij eerst moet geven om rijk te kunnen worden, is er iets veranderd.
Dan wordt zijn geloof geëxploiteerd.
En dat is misschien wel het moment waarop Jezus opnieuw de tafels zou omgooien.
Want de Messias kwam niet in een Rolls-Royce.
Hij kwam te voet.
Hij had geen beveiliging, geen marketingteam en geen gouden podium.
Hij kwam bij mensen thuis.
Hij ging zitten aan hun tafel.
Hij at met mensen met wie fatsoenlijke mensen liever niet werden gezien.
Hij raakte mensen aan.
Hij luisterde.
Hij vertelde verhalen.
Hij vroeg om vertrouwen.
En uiteindelijk zei hij: volg mij.
Niet: betaal mij.
Niet: investeer in mij.
Niet: geef mij eerst je tiende en dan zal ik je leven financieel veranderen.
Volg mij.
Dat is een heel ander businessmodel.
Misschien zelfs helemaal geen businessmodel.
Misschien is dat precies het punt.
De mens die werkelijk naar G'd zoekt, heeft geen product nodig.
Hij heeft geen religieuze influencer nodig die hem vertelt hoe succesvol zijn geloof kan worden.
Hij heeft misschien alleen een tafel nodig.
Een stoel.
Een stuk brood.
Een glas wijn.
En iemand die zegt:
Kom erbij zitten.
Want misschien begint geloof niet daar waar iemand ons vertelt wat God van ons wil kopen.
Misschien begint geloof daar waar we ontdekken dat G'd niets van ons hoeft te kopen.
En dat wij Zijn Naam niet nodig hebben om onszelf groter te maken.
Dat is de ernst van het derde gebod.
Gij zult de Naam niet ijdel gebruiken.
Niet alleen: spreek Zijn Naam niet achteloos uit.
Maar ook:
Maak van Zijn Naam geen instrument voor je eigen gelijk, je eigen macht, je eigen status of je eigen rijkdom.
Want de Naam is niet van ons.
En misschien moeten we daarom opnieuw leren eerbiedig te worden voor het woord dat we zo gemakkelijk in onze mond nemen:
G'd.
