Avond · Nederland, snelweg A2
Ik reed naar een afspraak met een klant. Het was rond negen uur, de snelweg was rustig, mijn hoofd was ergens anders. Niet bij Peter. Al een tijdje niet meer bij Peter.
Dat is hoe het bij mij gaat — uit het oog, uit de gedachten. Niet uit onverschilligheid. Gewoon zo.
Toen hoorde ik het.
Niet van buiten. Niet van de radio. Vanuit een plek waarvoor ik geen woord heb, maar die ik herkende, want ik had het eerder gehoord. Als twaalfjarige, in mijn bed, bezorgd over een G’d die boos zou worden als ik iets verkeerds deed.
Een stem die overweldigend was en zei: Maak je geen zorgen, alles komt goed.
Ik had teruggesproken, wat een kind van twaalf niet doet, maar ik deed het toch.
Heer, wie ben ik dat U tegen mij spreekt?
Nu, twintig jaar later, op de A2 richting Den Bosch:
Je moet nu naar Peter toe.
Ik zei het hardop, alsof iemand naast me zat.
‘Laat. Ik heb een afspraak. Hij vloekt toch alleen maar.’
Je moet gaan. Als hij één keer vloekt, ga je weg.
Daarna was het stil.
Ik nam de afrit.
Draaide om. Richting Mook.
Hoe dichter ik kwam, hoe stiller het werd in mij, en hoe sterker de gedachte die ik niet wilde toelaten: misschien is hij er al niet meer.
Ik parkeerde voor zijn huis.
De voordeur ging open voordat ik had aangebeld.
Zijn vriendin keek mij aan. ‘Peter verwacht je.’
Op dat moment viel er iets van me af. Niet te beschrijven, alleen te voelen. De twijfel die er altijd is: heb ik het wel echt gehoord? Vertrouw ik het wel echt? Die twijfel was er niet meer. Niet op dat moment.
De stem was echt.
In de woonkamer stond een ziekenhuisbed, midden in de ruimte, alsof alles daaromheen was verschoven om plaats te maken voor wat er ging komen.
Hij lag daar. Kaal. Uitgemergeld. Nauwelijks nog de Peter die ik had gekend, een trotse man, altijd in beweging, altijd iets te zeggen.
Maar zijn ogen straalden. Hij wist dat ik zou komen.
Ik greep zijn hand en ging zitten zonder iets te zeggen.
Hij praatte zacht, met moeite, en moest veel water drinken. Zijn vriendin boog zich naar hem toe. ‘Peter, neem toch wat morfine. Ik kan het je meteen toedienen.’
‘Nee.’ Zwak, maar resoluut. ‘Ik wil scherp zijn.’
We zaten een tijdje zo. Zijn hand in de mijne. De stilte die niet ongemakkelijk was maar vol.
Toen keek hij mij aan en stelde de vraag alsof hij er lang op had gewacht.
‘Jac. Bestaat er een hemel en een hel?’
Ik dacht even na.
‘Peter — ja. Ik geloof in een hemel en een hel, wat dat dan ook moge zijn.’
Hij knikte langzaam.
‘Dan hoor ik in de hel.’
Ik zei niets.
‘Ik heb mijn hele leven vergooid. Nooit — maar dan ook nooit — iets voor G’d gedaan.’
Ik was ontroerd. Niet verdrietig. Ontroerd — het verschil is dat ontroering iets opent.
Het enige dat me te binnen schoot was een verhaal dat ik kende maar zelden gebruikte. Twee mannen aan een kruis, naast Jezus. De een beschimpt hem. De ander draait zich om en zegt: wij hangen hier terecht. Hij heeft niets verkeerds gedaan. Stop met hem te beschimpen.
En dan, tot Jezus: wilt u aan mij denken als u naar het vaderhuis gaat?
Het antwoord was geen belofte voor later. Het was een belofte voor nu.
Heden zult gij met mij in het paradijs zijn.
Ik vertelde het hem. Niet als preek. Niet als troost die je iemand geeft omdat je niets anders hebt. Als iets wat ik geloofde en wat misschien precies hierom was, die stem op de A2, die afrit, die voordeur die openging voordat ik had aangebeld.
‘Peter, misschien heeft G’d me gestuurd om je dit te vertellen.’
Hij zweeg.
Maar ik zag hem ontspannen. Iets liet los. Zijn gezicht veranderde op een manier die je niet kunt maken, alleen kunt ontvangen.
Toen keek hij naar zijn vriendin.
‘Haal patat en frikandellen.’
We hebben ze samen opgegeten. Zijn laatste maaltijd.
Hij stierf een paar uur later.
De begrafenis was Joods. Na afloop kwam een familielid naar mij toe.
‘We zijn niet zulke Jezus-fans,’ zei hij. ‘Maar je hebt het mooi gedaan.’
De vraag die daarna bleef — en die ik meeneem door dit hele boek — is niet waarom de stem sprak. Maar waarom ik luisterde.
En of ik dat altijd heb gedaan.
